Project

Onderwijsaanbod hoogbegaafdheid PO/VO

Rol van SLO

scholen handvatten geven voor een effectief overgangsjaar voor versnelde leerlingen

Samen met

scholen in primair en voortgezet onderwijs, de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen, de Universiteit Twente

Artikel


Een overgangsjaar voor versnelde leerlingen: wat werkt?

Je komt ze overal tegen: kinderen die al op 9- of 10-jarige leeftijd klaar zijn met de leerstof van de basisschool. Cognitief zijn ze toe aan het voortgezet onderwijs, maar in andere opzichten soms nog niet. Daarom werken steeds meer scholen aan een overgangsjaar voor versnelde leerlingen. In 2019 is daar voor het eerst onderzoek naar gedaan.


‘‘Uit het onderzoek kwamen heldere succescriteria, op basis waarvan we in 2020 doelen en voorbeelduitwerkingen publiceren’’

Hanna Beuling

Hanna Beuling is leerplanontwikkelaar en specialist hoogbegaafd-heidsonderwijs bij SLO

Kan het Informatiepunt Onderwijs & Talentontwikkeling ons handvatten geven voor het inrichten van een overgangsjaar voor versnelde leerlingen? Die vraag kwam in de zomer van 2019 naar voren tijdens periodiek overleg met leden van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen (BPS). Dit resulteerde in een projectplan dat goedkeuring kreeg van OCW.

Hanna: "Begaafdheidsprofielscholen in het vo hebben vaker dan gemiddeld leerlingen in huis die versneld van de basisschool zijn gekomen. Zij merken dat veel van deze leerlingen vastlopen op executieve vaardigheden, zoals plannen en verantwoordelijkheid nemen. Op de basisschool zijn ze onvoldoende uitgedaagd om die vaardigheden te ontwikkelen. Ook zijn er vo-scholen die signaleren dat deze jonge leerlingen sociaal-emotioneel lastig aansluiting vinden, maar daarover verschillen de inzichten.

De vraag is: wat doe je als versnelde leerlingen vastlopen? Je kunt extra begeleiding bieden op het moment dat de problemen zich voordoen, tijdens de schoolloopbaan in het vo. Dit heeft als voordeel dat ook andere leerlingen van de begeleiding kunnen profiteren. Wat goed is voor versnelde leerlingen, is vaak goed voor alle leerlingen.

Aan de andere kant komen de problemen juist bij versnelde leerlingen veelvuldig voor, en gebeurt het regelmatig dat jongeren hierdoor ernstig aan zichzelf gaan twijfelen, motivatieproblemen ontwikkelen of zelfs depressief worden. Met een gericht programma op de overgang van po naar vo kun je voor velen de kans op schoolsucces vergroten.

‘‘Een vraag uit het veld, dat stimuleert enorm’’

Doordat de leerlingen versneld zijn, hebben ze er ook de tijd voor. Vandaar dat een groeiend aantal scholen een overgangsjaar voor versnelde leerlingen aanbiedt.

Systematisch onderzoek naar dit fenomeen was echter nog nooit gedaan. Er lagen ook nog geen handvatten zoals succescriteria, leerdoelen en voorbeelduitwerkingen. In die behoefte konden wij door de aanvraag van de Vereniging BPS voorzien. In 2019 hebben we eerst de bestaande initiatieven op een rij gezet en vervolgens leerlingen, leraren en mentoren geïnterviewd. Een masterstudent Psychologie van de Universiteit Twente heeft het daadwerkelijke onderzoek uitgevoerd; wij zorgden voor ondersteuning.

Om beter zicht te krijgen op de meerwaarde van een overgangsjaar, hebben we zowel gesproken met versnelde leerlingen die zo’n jaar hebben gevolgd, als met versnelde leerlingen die rechtstreeks naar het vo zijn gegaan. Ook hebben we betrokken leraren uit po en vo ondervraagd. Daar kwamen heldere succescriteria uit, op basis waarvan we in 2020 doelen en voorbeelduitwerkingen publiceren.

Voor mij als leerplanontwikkelaar was dit een mooie opdracht. Het is waardevol om aan de slag te gaan met een vraag uit het veld: je weet dat je iets maakt wat gebruikt gaat worden, iets waar scholen op ziten te wachten. Dat stimuleert enorm.”



‘‘Er komt een tijd dat ze de vaardigheden nodig hebben’’

Ben den Hamer

Ben den Hamer is locatiedirecteur bij het Hondsrugcollege in Emmen

Intermezzo is een van de programma’s die door SLO zijn onderzocht. Dit overgangsjaar voor versnelde leerlingen van het Hondsrug College in Emmen hoort tot de initiatieven van het eerste uur. Locatiedirecteur Ben den Hamer stond drie jaar geleden aan de wieg van Intermezzo.

“We zijn met het Intermezzojaar begonnen omdat we in onze eerstejaars gymnasium- en vwo+-klassen af en toe leerlingen op onverklaarbare wijze zagen uitvallen. Leerlingen van wie we hoge verwachtingen hadden, die het cognitief makkelijk zouden moeten redden. Ook kregen we van basisscholen steeds vaker het verzoek om 9- of 10-jarige leerlingen op te vangen die klaar waren met de leerstof.

Wij zijn een begaafdheidsprofielschool, dus ze waren bij ons aan het juiste adres. Maar sociaal gezien hebben zulke jonge leerlingen het in de brugklas niet makkelijk. Al snel ging het om zoveel leerlingen dat we een aparte klas konden vormen. Gemiddeld heeft Intermezzo nu jaarlijks achttien tot twintig leerlingen uit de wijde omtrek. Toelating verloopt via de basisschool, want deze leerlingen zijn nog leerplichtig in het basisonderwijs. Ouders kunnen dus niet rechtstreeks bij ons aankloppen.

Bij Intermezzo bieden we leerlingen niet de gewone brugklasstof (anders lopen ze aan het eind van het jaar meteen weer vóór), maar andere uitdagende stof. Ook helpt een basisschoolleerkracht hen bij het wegwerken van hiaten en taal en rekenen: de meesten hebben door het versnellen toch wel iets gemist.

Het allerbelangrijkste is echter dat we werken aan sociaal-emotionele en executieve vaardigheden. Op de basisschool waren deze leerlingen door hun voorsprong niet de makkelijksten om in de groep te hebben. Velen hebben een groot deel van de tijd aan eigen leerstof of projecten gewerkt. Dingen als in een groepje werken, rekening houden met de ander, maar ook luisteren naar uitleg van de leerkracht en jezelf concentreren, vinden ze niet makkelijk. En dat moeten ze wel leren, want er komt een tijd dat ze dat nodig hebben, dat niet alles meer vanzelf gaat.

Daarom zetten we bij Intermezzo de leerlingen zelf aan het roer. Ze spreken met iedere leraar af aan welke doelen ze voor dat vak gaan werken. De hele leerstof is in digitale leerdoelen verkaveld en leerlingen werken aan een leerdoel totdat ze het voldoende beheersen.

Veel van onze leerlingen zijn in de loop der tijd het plezier in leren kwijtgeraakt. Dat heeft geen universele oorzaak – basisscholen doen hun bliksemse best – maar het is wel zo. Bij Intermezzo maken we de leerlingen eigenaar van hun leren en daardoor keert de motivatie terug.”


‘‘Leerlingen vinden de motivatie terug’’


‘‘Met een overgangsjaar alleen zijn scholen er niet; de vraag is wat er daarna komt’’

Dick van Hennik

Dick van Hennik is voorzitter van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen

De vraag naar handvatten voor overgangsprogramma’s voor versnelde leerlingen kwam van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen (BPS), een samenwerkingsverband van 27 po-scholen en 48 vo-scholen die onderwijs en begeleiding bieden aan hoogbegaafde leerlingen. Dick van Hennik is voorzitter van deze vereniging.

“Bij versnelde leerlingen zit het probleem niet bij het kind; het probleem is dat de omgeving het kind niet begrijpt. Een leerling die versneld van de basisschool komt, is sociaal-emotioneel misschien 10 jaar, maar intellectueel 16 jaar. Volgens het denken in jaarklassen klopt dat niet, en het is mensen eigen om alles wat afwijkt, raar te vinden.

De oplossing zal van twee kanten moeten komen. Het is aan de versnelde leerlingen om een manier te vinden om zich te handhaven; het is belangrijk dat zij gaan snappen dat de wereld hen niet snapt. En het is aan de scholen om de leeromgeving zo te modelleren dat versnelde leerlingen daarvoor de ruimte krijgen.

‘‘Op weg naar een vrijere opvatting van onderwijs’’

Momenteel gebeurt dat in verschillende verschijningsvormen, waarvan het overgangsjaar voor versnelde leerlingen er één is. Een jaar aangepast onderwijs op de grens van po en vo, waarna leerlingen alsnog instromen in de eerste klas. Een grote groep leerlingen kan baat hebben bij de structuur die zo’n overgangsjaar biedt. Daarom hebben we SLO gevraagd te onderzoeken wat de succesfactoren zijn en wat je in zo’n jaar kunt aanbieden.

Maar daarmee zijn de scholen er niet, want de vraag is wat er na het overgangsjaar komt. Als school ontkom je er niet aan om ook aan de rest van je onderwijs aanpassingen te doen. Anders creëer je – in elk geval voor een deel van de leerlingen - een nieuw spanningsveld. Na een heerlijk jaar waarin ze hun eigen leren hebben kunnen vormgeven, moeten ze alsnog mee in het systeem. Voor je het weet lopen leerlingen door het tempoverschil opnieuw uit de pas. Er is een categorie zeer hoogbegaafde leerlingen bij wie dit een terugkerend probleem is.

Het mooie is dat juist deze leerlingen zeer gebaat zijn bij een vrijere opvatting van onderwijs, waarin ze hun eigen weg en belangstelling kunnen volgen. Oplossingen waar leerlingen zelf in de lead zijn, waarin ze nooit hoeven te wachten omdat ze zijn uitgeleerd. Oplossingen waarin ze altijd dóór kunnen zonder van school te hoeven wisselen.

Op dit moment zijn dergelijke initiatieven bestuurlijk nog lastig te regelen. Of je het nu hebt over een overgangsjaar voor versnelde leerlingen, over 10-14-onderwijs of over een hele doorgaande leerweg van 0 tot 18 jaar: de regelgeving loopt altijd achter. Maar het is wel de kant die we op moeten. Want onderwijs is niet het aanbieden van een schoolprogramma, maar het faciliteren van leren.”



‘‘We beginnen aan de verkeerde kant: we zetten een systeem op en kijken of het kind erin past’’

Carla van den Bosch

Carla van den Bosch is directeur van Basisschool Het Talent in Lent

Een van de scholen waar leerlingen en leraren zijn geïnterviewd, is basisschool Het Talent. Deze begaafdheidsprofielschool in Lent werkt sinds de oprichting in 2001 met een eigen onderwijsconcept dat de verschillen tussen kinderen als vertrekpunt neemt. Carla van den Bosch is directeur van Het Talent.

“Ik ben meer geïnteresseerd in onderwijsarrangementen voor kinderen dan in systeemoplossingen zoals een overgangsjaar. Niet dat ik daar op tegen ben; Intermezzo is bijvoorbeeld een prima initiatief. Mijn punt is dat we aan de verkeerde kant beginnen. We zetten een systeem op en kijken of het kind erin past. Terwijl we vanuit het perspectief van het kind zouden moeten kijken welk arrangement daarbij past. Niet iedere versnelde leerling heeft baat bij een overgangsjaar; het kan best zijn dat het voor een leerling beter is om in te stappen in het tweede of derde jaar van het vo, met een begeleidingsarrangement erbij.

Binnen het primair onderwijs is het werken met arrangementen goed te doen. Wij kunnen de leerstof en het tempo makkelijk aanpassen aan het kind. In het leerstofjaarklassensysteem van het vo is dat een stuk lastiger.

De discussie zou moeten gaan over de vraag hoe we dat systeem zo kunnen aanpassen dat we makkelijker kunnen inzoomen op individuele behoeften van leerlingen. Maar die discussie blijft de hele tijd hangen. Aan vernieuwing wordt meteen een bewijslast gehangen: is dit beter dan hoe we het voorheen deden? Zo niet, dan word je daar als school op afgerekend. Dat werkt vertragend. Aan de leraren in het vo ligt het niet: alle docenten die ik spreek, willen inzetten op wat het beste bij de leerling past. Maar ze zitten gevangen in systemen.

Het is logisch dat scholen dan oplossingen gaan zoeken binnen die systemen, zoals een overgangsjaar. Voor de leerlingen is het heel fijn dat die initiatieven er zijn. Zeker voor begaafde kinderen die geen mooi uitgebalanceerd profiel hebben: de potentiële thuiszitters, die anders een verhoogd risico lopen om voortijdig uit te vallen.

Maar het zou nog mooier zijn als we leerlingen arrangementen konden bieden. Dat hoeft niet honderd procent maatwerk te zijn: een begaafde leerling snapt best dat sommige dingen móeten, dat hij of zij op onderdelen moet aansluiten bij het systeem. Maar het zou mooi zijn als we zouden kunnen aansluiten bij het potentieel van de leerling. Dan weet die leerling zich gezien.”


‘‘Liever onderwijs- arrangementen dan systeemoplossingen’’